‘Wij hebben veel geld,’ zeggen de jochies, met hun muntjes van 5 cent. ‘En wij willen ook wel wat doneren’
In Alledaags Amsterdams delen lezers van Het Parool alledaagse gebeurtenissen, aangrijpende anekdotes, sterke verhalen, bijzondere ontmoetingen en opgevangen gesprekken die iets zeggen over het leven in Amsterdam. Dit keer: Riekje van Osnabrugge over twee jongens die ze tegenkwam tijdens het collecteren.
Traditiegetrouw collecteer ik in het voorjaar voor Amnesty International. Kleumend loop ik op een zaterdagmiddag met mijn collectebus aan de schaduwzijde van een straat op mijn eigen IJburg. Vanuit mijn ooghoek zie ik twee jochies aan komen lopen. IJverig zeulen ze elk een grote tas die uitpuilt van karton en oud papier. “Is het niet te zwaar?” vraagt de oudste, een jaar of negen, zorgzaam aan zijn maatje.
Die puft ontkennend. Zijn linker voetbalkous is afgezakt, zijn wit-rode shirtje hangt half uit zijn sportbroek. We wisselen een blik van verbondenheid: drie harde werkers die de kou trotseren.
Eenmaal bij de voordeuren, tref ik vier keer op rij de gevreesde sticker boven de bel: ‘Nee, geen verkopers, collectanten of geloofsovertuigers.’ Berustend draai ik me om. Daar staan die twee jongetjes weer, hun tassen geleegd. Ze wachten duidelijk op mij. “Waar haalt u geld voor op, mevrouw?”
Ik leg uit dat het bestemd is voor een organisatie die mensen wil helpen die onterecht in de gevangenis zitten. Mensen die bijvoorbeeld tegen de regering van een land hebben gezegd dat ze het ergens niet mee eens waren en toen zomaar werden opgepakt.
De ventjes luisteren aandachtig en kijken elkaar aan. “Vinden jullie dat een goed doel?” Nogmaals wisselen ze een blik van verstandhouding en knikken heftig.
De oudste vertrouwt me toe: “Wij hebben ook veel geld.” Hij grabbelt in zijn broekzak en toont me trots een handvol muntjes van 5 eurocent. “En wij willen ook wel wat geven.” Op mijn vraag hoe ze aan zoveel geld komen, antwoordt de jongste: “O, gewoon, heitje voor een karweitje.”
Ik begrijp het: hun gesjouw met oud papier was niet geheel belangeloos. En Amnesty wordt spontaan hun goede doel! Terwijl de muntjes in de bus rinkelen, belooft de oudste: “Als u zo aanbelt bij mijn moeder, doet ze er ook nog wat in hoor. Ik woon op 120.” “En ik op 128,” kan de ander niet achterblijven.
Vrolijk loop ik verder. Net voor ik hoopvol aanbel bij nummer 120, valt mijn oog op de nee-sticker boven de bel. Ook op 128 blijken collectanten niet gewenst: ‘Wij geven op onze manier.’
Later bel ik aan de zonzijde van de straat aan bij een huis zonder sticker. Een man doet lachend open: “O, Amnesty, natuurlijk! Gelukkig kom je niet voor een heitje voor een karweitje. Die kinderen houden alles voor zichzelf.” Ik grinnik vaag en draai me om. Samenzweerderig zwaaiend lopen twee jongens voorbij. “Dag mevrouw!”
Alledaags Amsterdams
In de rubriek Alledaags Amsterdams delen lezers van Het Parool alledaagse gebeurtenissen, aangrijpende anekdotes, sterke verhalen, bijzondere ontmoetingen en opgevangen gesprekken die iets zeggen over het leven in Amsterdam. Of ze er nu wonen, werken, op bezoek zijn of alleen doorheen reizen, maakt niet uit.
Wil je ook wat inzenden? Stuur je bijdrage van maximaal 400 woorden, onder vermelding van naam en woonplaats, naar hethoogstewoord@parool.nl of per WhatsApp naar 06-29933251.
Lees ook
Geselecteerd door de redactie