Direct naar artikelinhoud

‘Ik ontdekte hoe leuk het is om voor baby’s te zorgen, en heb er zo van genoten!’

Willem Westbroek.
Willem Westbroek.Aurélie Geurts

Willem Westbroek is 100 jaar. Hoe kijkt deze techneut aan tegen de eeuw die achter hem ligt?

Willem Westbroek kan vanuit zijn woonkamer kolossale containerschepen voorbij zien glijden over het Kanaal van Gent naar Terneuzen. Voor de geopende draaibrug staat zo’n twaalf keer per dag een lange file. Om geen oponthoud te riskeren, maakt de 100-jarige elke zondagochtend een omweg met zijn auto, want hij wil graag op tijd in de kerk zitten. Als trouwe kerkganger moet hij steeds verder rijden, omdat de ene na de andere protestantse kerk in Zeeuws-Vlaanderen haar deuren sluit. Westbroek kan momenteel terecht in het dorp Hoek en hoopt dat ze het daar nog even volhouden.

Hoe gaat het met u?

‘Ik rij nog auto. Mijn rijbewijs is met vijf jaar verlengd, dus ik kan doorrijden tot ik 105 jaar ben. Daar was ik eerlijk gezegd wel een beetje verbaasd over. Bij de keuring op mijn 95ste kreeg ik nog een uitgebreid oogonderzoek bij de oogarts, dit keer kon ik na een oogtest van de keuringsarts zo doorlopen. Mijn kinderen zeggen: je rijbewijs is alleen geldig in Zeeuws-Vlaanderen.

‘Ik ben blij dat ik nog kan rijden, want een auto geeft meer bewegingsruimte; lopen gaat minder op deze leeftijd. Ik rij ermee naar de supermarkt hier in Sas van Gent, zondags naar de kerk en zaterdags naar het vliegveld in Axel, waar mijn zoon en zijn tweeling vaak gaan zweefvliegen. Vorig jaar heb ik zelf nog een vlucht gemaakt. Je hoeft niet bang te zijn dat de motor uitvalt, want een motor heeft een zweefvliegtuig niet.

‘Je moet jezelf bezighouden. Ik vermaak mij met het lezen van detectives, puzzelen, computeren en mijn warme maaltijden koken. Elke veertien dagen ga ik naar de fysio voor krachttraining. Wandelen doe ik alleen als het mooi weer is. Ik merk er niet veel van dat ik oud ben. Eigenlijk ben ik 103 jaar, want ik heb drie jaar in de tropen gezeten, die jaren tellen dubbel.’

Is de kerk belangrijk voor u?

‘Je ontmoet er mensen en bent solidair met elkaar. Als er iemand wordt begraven, probeer ik er naartoe te gaan. Vanochtend was ik op de begrafenis van een goede kennis van de Heemkundige Kring waarin ik lang actief ben geweest. Voor mijn 100ste verjaardag heb ik na de kerkdienst getrakteerd op gebakjes. Het is een fijne gemeente, met een heel goede vrouwelijke dominee. In de kerk waar ik oorspronkelijk vandaan kom, een zware protestantse ploeg in Krimpen aan de Lek, waren de dames niet in tel, ze mochten alleen de kerk schoonmaken.

‘Met religie is het hier slecht gesteld momenteel. In Sas van Gent is de katholieke kerk een markt geworden en de protestantse kerk een kantoor. In de protestantse kerk kwam ik al sinds 1968, toen ik hier kwam wonen. Na de sluiting week ik uit naar Philippine, toen de kerk daar dichtging naar Sluiskil, die kerk wordt afgebroken. En nu rij ik elke zondag naar Hoek, dat is 20 minuten met de auto. Ik moet steeds verder rijden om een dienst te kunnen bijwonen. Als je ziet hoe weinig kinderen er in de kerk in Hoek zitten, houd ik mijn hart vast voor de toekomst. Ik hoop het niet te hoeven meemaken dat ook deze kerk sluit. Sinds de coronapandemie is het kerkbezoek sterk afgenomen. De mensen denken geen religie meer nodig te hebben.

‘Ik heb vijftig jaar in de kerkenraad gezeten, vooral als technische man. Ik zorgde ervoor dat de kerk warm was, de technische installatie werkte en het orgel het deed. Ik had eerder willen stoppen, maar ik wist: als ik vertrek, komt er geen vervanger. Tien jaar geleden ging het echt niet meer, omdat ik problemen kreeg met mijn gehoor, vooral tijdens vergaderingen was dat lastig.’

Wat voor kind was u?

‘Een beetje ondeugend, ik plaagde graag mijn jongere zusje en deed van alles wat niet mocht. Recht tegenover ons huis in Krimpen aan de Lek was een boerderij, daar ging ik graag spelen. Een keer was ik daar met mijn neefje dat bij ons logeerde. Hij kwam uit Rotterdam en had geen benul van het platteland. De sloot lag vol met kroos, en hij vroeg mij of hij daarop kon staan. ‘Ja’, zei ik, en hij deed het. Kreeg ik op mijn sodemieter. Boer Hannes was vreselijk vroom, hij woonde op de boerderij met zijn twee broers en twee zusters – die net als hij ongetrouwd waren. Ieder had een eigen koe. Hun toilet was boven de mestput. Als Hannes naar de wc moest, gooide ik een steen in de put, zodat de mest opspatte. Dan werd ik voor wel vier dagen verbannen van zijn erf.

Voor zijn vertrek naar Nederlands-Indië.Aurélie Geurts

‘Ik was de oudste van vier kinderen. Mijn ouders waren lief en zorgzaam, we moesten wel luisteren. We waren niet rijk en niet arm. Mijn vader werkte in een machinefabriek, cilinderkoppen afpersen. Na de mulo ging ik werken op een distributiekantoor. In 1943 kreeg ik een oproep voor tewerkstelling in Duitsland en kwam ik in een dorp in Zuid-Duitsland terecht. In een kleine machinefabriek met dwangarbeiders uit Rusland, Polen, Joegoslavië en Frankrijk moest ik de ene week vijf en de andere week zes dagen werken, twaalf uur per dag, freezers maken voor freesmachines.

‘Ik logeerde bij een boerin, een heel lieve vrouw met twee zoons aan het front, de jongste was gesneuveld. Ik denk dat ik daar de laatste oorlogsjaren beter te eten had dan als ik in Nederland was gebleven. In mijn vrije tijd ging ik een eindje wandelen of naar de bioscoop. Voordat de film begon, kreeg je altijd oorlogspropaganda te zien, waarin de Duitsers natuurlijk altijd aan de winnende hand waren.

‘De dwangarbeid was niet zwaar, maar ik was blij toen het afgelopen was. In een gestolen auto met aanhangwagen ben ik met Goos en Henk, twee andere Nederlanders, teruggereden naar huis. Eén landgenoot bleef achter, hij ging trouwen met een Duitse. We namen een gewonde Duitser mee, een familielid van de slager uit het dorp, en brachten hem naar huis. Onderweg zagen we overal gebombardeerde steden, het waren dezelfde beelden als je nu van Gaza ziet, hoewel Gaza nog erger is.’

U heeft drie jaar in de tropen gewoond, vertelde u.

‘Na afloop van de Tweede Wereldoorlog wist ik niet wat ik wilde en heb ik mij vrijwillig aangemeld voor het leger in Nederlands-Indië. Dat was eigenlijk niet zo slim. Ik trapte in slogans als ‘Indië verloren, rampspoed geboren’. Nederland wilde zijn kolonie behouden, maar de Indonesische bevolking wilde van ons af en begon een onafhankelijkheidsstrijd. Het was Nederland alleen om de handel te doen, dat was niet eerlijk. Van prins Bernhard heb ik nog een bedankbrief gekregen.’ (Hij duikt in de kast en vist hem uit een stapel archiefstukken.)

‘Voordat ik naar Indië vertrok, had ik al verkering met Johanna, een lieve vrouw. Ze heeft drie jaar op mij gewacht. Eerst werd ik in Engeland met een ploeg jongens opgeleid tot soldaat. We leerden met kanonnen tanks stuk schieten. Als haringen in een ton werden we met het schip De Nieuwe Holland naar Java vervoerd. In Indië werd ik als wachtmeester gestationeerd bij een vliegschool van de luchtmacht. Er stond geen hek omheen. Een paar keer werd het vliegveld aangevallen. Als je werd beschoten, moest je terugschieten. Ik ben nooit gaan kijken of ik iemand had geraakt. Op patrouille zijn we een keer in een hinderlaag gelokt en onder vuur genomen, gelukkig kon ik op tijd dekking zoeken, maar ik zag wel hoe anderen werden geraakt. Ik ga elk jaar naar de Zeeuwse veteranendag in Nieuwdorp. Afgelopen jaar waren we nog maar met zijn tweeën.

Samen met Johanna, ze trouwden op 6 november 1954.Aurélie Geurts

‘Nadat ik in februari 1950 was teruggekeerd naar Nederland, kreeg ik mijn verstand terug en ben ik aan de HTS in Dordrecht werktuigbouwkunde gaan studeren. Tot aan mijn pensioen was ik de technische man van voedselbedrijf Cargill, dat daarvoor drie keer van eigenaar en naam was veranderd. Het bedrijf regelde huisvesting voor zijn personeel. Zo ben ik in Sas van Gent beland. Ik was verantwoordelijk voor de aanschaf van nieuwe spullen, het oplossen van mankementen en opstarten van nieuwe installaties – ook in landen als Duitsland, Frankrijk en Brazilië, waar Cargill ook fabrieken had die ingrediënten voor voedsel produceerden, zoals zetmeel.’

Is er iemand die u bewondert?

‘De Poolse generaal Stanislaw Maczek.’ (Hij zoekt op de computer de spelling van zijn naam op.) ‘Een heel slimme, goede generaal die een belangrijk aandeel heeft gehad in de bevrijding van Zeeuws-Vlaanderen – waar flink is gevochten – en Brabant. Hij gaf leiding aan de eerste Poolse pantserdivisie. Na de Tweede Wereldoorlog leefde hij in armoede in Schotland, waar hij een baan had als kelner. Dat had hij niet verdiend. De burgemeester van Breda heeft ervoor gezorgd dat hij uiteindelijk een generaalspensioen kreeg. In die stad is hij ook begraven, 102 jaar oud. Deze man was een echte held aan wie we veel te danken hebben.’

Wat was een van de mooiste momenten in uw leven?

‘De geboorte van onze tweeling. Al mijn vier kinderen zijn mij natuurlijk even lief. Mijn vrouw zorgde vooral voor onze eerste twee kinderen, toen daarna de tweeling werd geboren kwam ze handen tekort, dus gaf ik ze de fles. Ik deed ze in bad, verschoonde hun luiers en legde ze in bed. Ik ontdekte hoe leuk het is om voor baby’s te zorgen, en heb er zo van genoten!’

Willem Westbroek

geboren: 16 december 1924 in Krimpen aan de Lek

woont: zelfstandig, in Sas van Gent

beroep: werktuigbouwkundige

familie: nog een zus (86), 4 kinderen, 7 kleinkinderen, 3 achterkleinkinderen

weduwnaar sinds 2018

Help ons door uw ervaring te delen: