Houd Wilders ver van het Torentje
Bij alle bezwaren is er ten minste één goede reden voor een cordon sanitaire rondom een partij die naar de democratische rechtsstaat een lange neus trekt: je maakt als dragers van die staat duidelijk dat dit geen normale partij is en voorkomt daarmee dat een proces intreedt waarbij het extreme bijna sluipenderwijs normaler wordt.
Dit proces van normalisering is sinds de gedoogcoalitie van VVD, CDA en PVV al een eind op streek. Zo is een hele generatie nieuwe kiezers opgegroeid met een politicus die spot met de instituties van ons staatsbestel en die zonder gêne een gemanipuleerde foto via de sociale media verspreidt om een politieke rivaal te beschadigen.
Toch wordt het in politiek Den Haag als normaal beschouwd dat deze democratievijandige PVV, mocht zij als grootste uit de verkiezingen komen, het voortouw krijgt in de kabinetsformatie. Dat is immers regel, weliswaar daterend van een tijd dat partijen met meer dan vijftig zetels nog echt groot waren, maar je moet toch ergens beginnen.
Draagt het dan niet bij aan de normalisering van deze partij als je haar zo'n gewichtige rol geeft in het hart van het bestel dat zij vanwege het 'nep-parlement' en de 'nep-rechters' verwerpt?
Waarschijnlijk wel, maar dan treedt volgens de gangbare wijsheid regel twee in werking, die luidt dat je in een formatie 'eerst de verplichte figuren' moet afwerken, dat wil zeggen dat je moet uitzoeken wat niet kan om, al eliminerend, uit te komen bij wat wel kan. Rutte en Samsom negeerden deze regel in 2012, waardoor hun samenwerking de schijn van kiezersbedrog behield.
Moet je toestaan dat de democratie met haar eigen middelen om zeep wordt geholpen?
Gangbare wijsheid
Volgens de gangbare wijsheid zal de PVV, indien zij het initiatief krijgt, snel tot de ontdekking komen dat zij geen meerderheidskabinet kan vormen. Dat is dan duidelijk vastgesteld. Joop van den Berg, de éminence grise onder de politieke waarnemers, schreef vorige week dat deze verplichte figuur nodig is 'om niet nodeloos een overgevoelig geworden bevolkingsgroep verder van de parlementaire politiek te vervreemden'.
De redenering is goed te volgen, maar de vraag is of je met de opkomst van het democratievijandige populisme nog wel op de gangbare wijsheid moet afgaan. De verplichte figuur van Joop van den Berg zou niet nodig zijn met een cordon sanitaire rondom de PVV. Dan is immers bij voorbaat duidelijk, ook voor haar potentiële kiezers, dat deze partij is uitgesloten van de machtsvorming.
Volgens de gangbare wijsheid zal de PVV, indien zij het initiatief krijgt, snel tot de ontdekking komen dat zij geen meerderheidskabinet kan vormen.
Worsteling
Toegegeven, het valt niet mee een tussenweg te vinden tussen normalisering, die gepaard gaat met ondermijning van ons bestel met zijn mores van wellevendheid, samenwerking en waarheidsliefde, en complete uitsluiting. De kernvraag is toch deze: moet je toestaan dat de democratie met haar eigen middelen om zeep wordt geholpen?
Nee, antwoordde de staatsrechtsgeleerde George van den Bergh in een ophefmakende rede in 1936. Lettend op 'de ongunst der tijden' wilde deze sociaal-democraat over de mogelijkheid van een partijverbod beschikken om 'de aantasting van ons cultuurbezit en onze rechtsstaat niet willoos te gedogen'. Niet dat hij een partijverbod meteen wilde inzetten, maar je moest het achter de hand hebben om het 'in uiterste noodzaak' te gebruiken.
Van den Berghs rede was een indrukwekkende worsteling met het grote dilemma waar de democratie voor staat, als zij van binnenuit wordt bedreigd. Alleen daarom al de moeite van het lezen waard; de rede is integraal opgenomen in het boek 'Wat te doen met anti-democratische partijen?' uit 2015 van de staatsrechtsgeleerden Rijpkema en Cliteur.
Vijanden
De betekenis zit naar mijn idee vooral in het antwoord dat Van den Bergh geeft op de vraag wat normaal en niet normaal is in een democratie. Uitgaande van wat hij ziet als het diepste wezen van dit staats- en beschavingsmodel, de eerbied voor de persoonlijkheid van ieder mens, acht hij twee beginselen onaantastbaar, de geestelijke vrijheid en de gelijkheid voor de wet voor iedereen.
Het aanvaarden van die beginselen moest volgens hem voorwaarde zijn 'om tot de vreedzame strijd te worden toegelaten'. Zijn conclusie is van een verpletterende helderheid: 'Partijen die deze pijlers van onze staat aantasten, zijn vijanden'.
Als de staatsdragende partijen deze cruciale grens de komende weken scherp laten zien en daarmee de democratische rechtsstaat zelf tot inzet van de verkiezingen maken, is het uit democratisch oogpunt logisch dat zij als overgrote meerderheid ook de formatie ter hand nemen.
Politiek zou de betekenis zijn dat het proces van normalisering van een democratievijandige partij wordt gestopt. De historicus Huizinga noemde het 'in de hoogste mate irrationeel' een dergelijke revolutionaire partij in het stelsel der regering toe te laten. 'Zo'n staat gedraagt zich als een levend wezen dat vrijwillig de kiemen van het verderf in zijn wezen opneemt.'
Lees ook
Geselecteerd door de redactie